Op deze afbeelding is een gevelsteen te zien van Kerkstraat 76. De steen vertelt het verhaal van een turfdrager die de turf per schuit aanvoerde vanuit de Vinkeveense Plassen om de huizen langs de grachten te verwarmen. Turf is gedroogd veen dat als brandstof werd gebruikt. Het gebruik ervan ging echter gepaard met aanzienlijke lucht- en geurvervuiling.
Aan het begin van de zeventiende eeuw werd Amsterdam te klein voor haar inwoners. Er werden nieuwe uitbreidingsplannen ontwikkeld die moesten zorgen voor meer ruimte in de stad. Het resultaat was een uitbreiding van veertien kilometer aan grachten, waaronder de beroemde Gouden Bocht.
Door deze uitbreiding werd de Kerkstraat aangewezen als het ‘achterom’ van de grachtenpanden. Het werd een straat waar werkplaatsen, wasserijen en personeelsverblijven samenkwamen. Dit is onder andere terug te lezen in de gevelstenen die hier nog altijd te vinden zijn.
De turf die op de gevelsteen wordt afgebeeld was echter niet de enige oorzaak van de nare geuren in de grachtengordel. In dit gebied werd de was direct boven het water gedaan, terwijl zich op de bruggen, niet ver daarvandaan, ook de toiletten bevonden. Vooral in de zomer kon het daardoor flink stinken in de straten. Welvarende Amsterdammers die aan de gracht woonden, konden zich daarom veroorloven om de stad in de warme maanden te verlaten.
De bomen die nog altijd langs de grachten te zien zijn, werden mede geplant om de stank te verminderen. Ze maakten de grachten niet alleen mooier, maar hadden ook een praktische functie.
De Grachtengordel is een van de vensters in de Canon van Amsterdam. Bekijk ons thema van de gehele Canon van Amsterdam op Geschiedenislokaal.