Sinds 1661 was de werf van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) gelegen op het eiland Oostenburg. Hier was ook het Oost-Indisch Zeemagazijn gevestigd. Het gebouw bestond uit vier verdiepingen, waar de vele goederen werden opgeslagen die de VOC uit Azië had meegebracht. Ook waren hierachter werkplaatsen en loodsen aanwezig. Het was destijds het grootste industrieterrein ter wereld.
Aangezien schepen toentertijd vooral van hout waren gemaakt, bestond er altijd een gevaar voor brand. Op 14 mei 1690 brandde er op de werf van de VOC een schip in aanbouw gedeeltelijk af. Op deze prent van kunstenaar en uitvinder Jan van der Heyden is te zien dat de brand wordt geblust. Dit werd gedaan met behulp van een nieuwe soort brandspuit, die door Van der Heyden was uitgevonden. Hiermee werd het blussen van branden gemakkelijker, omdat deze brandspuit onafgebroken water kon geven. Mede door deze nieuwe brandspuit kon het schip worden gered.